![]() |
Intro |
![]() |
Diese Seite,utrumque Virtuti Cedit Zilver wijkt voor het goud en beide wijken zij voor dapperheid. Lijfspreuk van Piet Heyn (1577 - 1629) Nederl. zeeheld De daad is alles, |
P I E T H E Y N , de zoon van Delfshaven
Piet Heyn of precies: Pieter Pieterszoon Heyn werd op 25 november 1577
geboren in een klein huisje in de Kerkstraat, ook wel 'Kerkhofsteeg' en tegenwoordig
Piet Heynstraat geheten. Zijn ouders waren arm en de familie Heyn moest elke cent
driemaal omdraaien. Vader Pieter Heyn werkte als visser op de haringvloot van
Delfshaven. Met zijn karige loon moest hij zijn gezin, bestaande uit vrouw en drie
kinderen, zien te onderhouden. De moeder van Piet Heyn wilde dat haar zoon, in
tegenstelling tot zijn vader, een veilige baan aan de wal zocht. Desondanks ging
hij tegen de zin van zijn moeder met zijn vader mee naar zee. De jonge Heyn had
weinig geluk en werd gevangen genomen door de Spanjaarden. Hij werkte zo'n vier
jaar als galeislaaf. Na zijn vrijlating koos hij opnieuw voor de zee en werkte als
schipper op de koopvaardij. Wederom werd hij gevangen genomen door de Spanjaarden.
Na de slag bij Nieuwpoort werd hij samen met andere gevangenen vrijgelaten.
![]() Tekeningen van de verovering van de "Spaanse Zilvere Vloot"
In 1626 werd hij als admiraal van een grote vloot naar de Caribische Zee
gezonden om met de daar aanwezige scheepsmacht van Boudewijn Hendrikszoon een
Spaanse zilvervloot te veroveren. Piet Heyn kon de schepen van de inmiddels overleden
Hendrikszoon niet traceren en voldeed niet aan zijn opdracht. Maar op zijn speurtocht
naar de vloot van Hendrikszoon haalde hij in 1627 in de Allerheiligenbaai een
aanzienlijke buit binnen. Het bekendste wapenfeit uit de loopbaan van Heyn is de
verovering van de Spaanse zilvervloot bij en in de baai van Mantanzas op 6e en 7e
september 1628. De oorlogsbuit die hij veroverde op generaal Benevides, bestond
uit twaalf miljoen gulden. Voor die tijd een immens vermogen. De roem van Piet Heyn als uitstekend strateeg en tacticus snelde hem vooruit.
Bovendien had hij de naam een krachtige en rechtvaardige leider te zijn van wie
een groot enthousiasme uitging. Voor Prins Maurits en de Staten van Holland en
West-Friesland was hij dé man om als buitenstaander de marine te vernieuwen.
In 1629 werd hij als luitenant-admiraal van Holland en West-Friesland aangesteld.
De nieuwe bevelhebber was slechts enkele maanden in functie toen hij sneuvelde in
een gevecht tegen de Duinkerkse kapers bij de 'Vlaamsche Banken'. De roemrijke
loopbaan van eindigde abrupt op 20-juni-1629. Piet Heyn
werd 51 jaar; hij werd op 4 juli in de Oude Kerk in Delft begraven. Zijn tombe in
de Oude kerk te Delft is het werk van Pieter de Keyser. Pieter Pieterszoon Heyn
is niet vergeten. Zijn heldendaden blijven voortleven, vooral in liederen op de
tribunes van de voetbalstadions.
![]() Portrait-Schilderijen van Luitenant-Admiraal Pieter Pieterszoon Heyn Koning Willem III onthulde op 17e oktober 1870 het standbeeld van de
Delfshavense zeeheld Pieter Pieterszoon Heyn. De admiraal die ooit de Spaanse zilvervloot
veroverde, werd 150 jaar na zijn dood geëerd met een indrukwekkend standbeeld.
Het beeld is drie meter hoog en gemaakt van Udelfangersteen. Het stelt de admiraal
Piet Heyn voor op het moment dat hij het commando geeft om de vloot van de Duinkerkse
kapers aan te vallen.
Symbolen onderstrepen de macht die hij had op het toppunt van zijn roem. Met zijn
rechterhand omklemt hij de bevelhebbersstaf, terwijl hij met de linkerhand zijn
zwaard vasthoudt. Op zijn wapenrok prijkt een onderscheiding die hij kreeg na de
verovering van de zilvervloot. Zoals de mode in die tijd voorschreef, is Heyn
gehuld in een wapenrok, zijn korte broek reikt tot de knie en zijn voeten zijn
gestoken in hoge zeelaarzen. Als bevelhebber van de zeemacht had Heyn de
beschikking over oorlogsschepen. Het kanon aan zijn voeten met het anker en het
daaraan bevestigde touw waarin een knoop is gelegd, symboliseren de vloot. |
|
Ook de wapenschilden van Delfshaven en Holland zijn weergegeven. Links zijn
de haring en de drie korenaren van Delfshaven afgebeeld met de tekst:
'geboren te Delfshaven 25-november-1577'.
Rechts is het wapen van Holland te zien: een staande leeuw met een kroon,
met de inscriptie 'De heldendood gestorven op 20 juni 1629'. Het immense beeld
dat inclusief voetstuk 6,26 meter hoog is, heeft vele jaren de verkeerde richting
uit gekeken: het beeld keek naar het centrum van Rotterdam. Op 28 september 1985
is het standbeeld van Piet Heyn gedraaid. Sindsdien kijkt hij weer uit over de
Achterhaven, naar de rivier en de zee ! D E L F S H A V E N , de stad van Piet Heyn Delfshaven ontstond in 1389 toen de Delfshavense Schie werd gegraven
om de stad Delft een verbinding met de Merwe (nu Nieuwe Maas) te geven. De stad Delft had
in dat jaar toestemming van hertog Aelbrecht van Beieren, graaf van Holland
en Zeeland, gekregen om een eigen scheepvaartverbinding te graven. Delft had in die tijd
twee belangrijke industrieën: bierbrouwerijen en de lakennijverheid. Deze twee
bedrijfstakken produceerden belangrijke exportproducten. Delft kon weliswaar
van de Rotterdamse sluis gebruik maken (Delftsevaart, sinds 1340), maar men
moest hier voor tol betalen. Bovendien had Rotterdam zelf brouwerijen en
lakennijverheid. Genoeg redenen voor Delft om eindelijk een eigen verbinding met de
Nieuwe Maas te hebben en de concurrerende stad Rotterdam zo een slag voor te blijven.
Voortaan konden de schepen vanuit Delft via Delftse Schie aan Overschie voorbij door
middel van de nieuwe Delfshavense Schie de Nieuwe Maas bereiken.
Rondom deze sluis ontstond het havenstadje Delfshaven. Dit stadje was niet
zelfstandig, maar had de status van een 'kolonie'.
![]() Kaart van Delfshaven Hertog Aelbrecht van Beieren De eerste huizen werden gebouwd aan de Kolk (nu Aelbrechtskolk) en de Haven
(nu Voorhaven). Het ging goed met het stadje en in 1451 werd een tweede haven gegraven,
de Nieuwe Haven (nu Achterhaven). Het Achterwater vormde de verbinding tussen kolk
en de Nieuwe Haven. In het begin van de zestiende eeuw telde Delfshaven zo'n 117 huizen
en vierhonderd inwoners. De meeste huizen waren van hout. Aan de groei van
Delfshaven kwam een einde toen de Hoeken in 1488 (Hoekse en Kabeljouwse twisten)
enorme verwoestingen aanrichten. De troepen van de Hoekse edelman Frans van Brederode
plunderden Delfshaven uit en staken vele huizen en ook schepen in brand. Bijna een eeuw
later in 1572 was het weer raak. De Watergeuzen, die vijf dagen ervoor Den Briel
hadden ingenomen, vielen Delfshaven binnen. Nog geen week later volgden de Spanjaarden
(tachtigjarige oorlog), die onder de bevelhebber Bossu, het stadje in de as legden.
![]() |
In 1638 kreeg de Delfshavense haringvisserij echter een grote klap te
verwerken. Tien bezitters van haringbuizen vertrokken met 36 schepen
naar Rotterdam. Delfshaven verloor hierdoor bijna de helft van zijn haringbuizen.
Geschrokken door deze massale verhuizing wijzigde de stad Delft haar in 1536 vastgelegde
houding en de beperkingen uit dat jaar werden opgeheven. Delfshavenaren hadden nu
weer meer vrijheid om een bedrijf uit te oefenen met uitzondering van het bierbrouwen.
Dit monopol bleef in handen van Delft. Zo kwamen er zoutketen (voor het conserveren
van vis), kuiperijen (voor de haringtonnen) scheepswerven en taanderijen (taan werd
gebruikt om touw, zeilen en netten tegen rotting te beschermen).
De VOC (Verenigde Oostindische Compagnie) breidde het aantal magazijnen, loodsen en
werven uit.
Aan het einde van de zeventiende eeuw begon de opkomst van de brandewijnindustrie.
Een groot deel van de brandewijn en jenever werden in de achttiende eeuw in Rotterdam,
Schiedam en Delfshaven gestookt. Van de tweehonderd Hollandse branderijen in 1772
stonden er 122 in Schiedam. Rotterdam en Delfshaven hadden er elk 22. Door deze
nieuwe bestaansbron verrezen aan de randen van Delfshaven windmolens voor het malen
van mout (gekiemde graankorrels). In de branderijen stookte men hieruit moutwijn
en distilleerde men het vocht, na toevoeging van speciale kruiden, tot jenever.

Delfshaven verlangde er sterk naar om zich te bevrijden van het juk van de
moederstad Delft. De Bataafse revolutie van 1795 bood uitkomst. Het jaar 1795
luidde het einde in van de oude republiek der Zeven Verenigde Provinzien der Nederlanden.
De Fransen werden als bevrijders binnengehaald. De leuze: 'vrijheid, gelijkheid en
broederschap', die in die dagen overal weerklonk, vond gehoor bij de bevolking van
Delfshaven. Voor hen betekende het, dat aan vierhonderd jaar Delftse overheersing
een einde moest komen. Een groepje revolutionaire burgers verklaarden de stad op
28 mei 1795 zelfstandig. Delft ging niet akkoord. Het bestuur van de stad en de
haven werd toevertrouwd aan 25 personen verdeeld over twee colleges.
In beide colleges hadden inwoners van Delfshaven zitting. Bovendien kreeg Delfshaven
de bevoegdheid om zelf beslissingen te nemen over zaken die de haven betroffen.
De definitieve scheiding tussen Delft en Delfshaven kwam dan toch in het jaar 1811.
Delfshaven kreeg een eigen stadswapen zie boven) waarin ondermeer de visserij en de
branderijen, de hoofdbronnen van het bestaan van de nieuwe gemeente, werden verwerkt.
De kroon op haar zelfstandigheid kwam in 1825, het jaar waarin Delfshaven recht
kreeg de naam stad te voeren. Ook het dorpje Schoonderloo, de Coolpolder (nu het
Oude Westen) en de Bospolder behoorden tot Delfshaven.

Bijna alle huizen stonden in de oude kern van Delfshaven. De polders
erom heen waren grotendeels weiland. De zelfstandigheid werd een teleurstelling.
Het economisch verval van Holland was ook in Delfshaven voelbaar. De VOC
hield in 1792 op te bestaan. Ook met de bloei van de brandewijnindustrie was het
gedaan en de haringvisserij stelde niets meer voor. De achteruitgang werd bovendien
versneld door een brede zandplaat die zich voor de ingang voor de haven bevond.
De scheepvaart verplaatste zich hoe langer hoe meer naar Rotterdam. Delfshaven
raakte steeds dieper in de schulden. In 1841 vroeg het stadsbestuur van Delfshaven
om annexatie door Rotterdam. Het Rotterdamse bestuur voelde er echter niets voor
om het verarmde stadje over te nemen. Veertig jaar later veranderde de houding
van het bestuur van Rotterdam radicaal. De stad barstte uit haar voegen en had
de grond van Delfshaven dringend nodig voor verdere uitbreiding. Delfshaven hield
op te bestaan als zelfstandige gemeente op zaterdag 30 januari 1886 om 10 uur. Nu is
Delfshaven een deelgemeente van Rotterdam